Het vroegere Inrichtingen en vergunningenbesluit onder de Wet milieubeheer is komen te vervallen. Daarvoor in de plaats is in bijlage 1 bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) een opsomming opgenomen van vergunningplichtige inrichtingen en gevallen waarin een ander bestuursorgaan dan B&W het bevoegd gezag zijn.
In art 3.3 van het Bor is opgenomen dat Gedeputeerde Staten (GS) enkel het bevoegd gezag zijn voor activiteiten met betrekking tot inrichtingen waartoe een gpbv-installatie (voorheen IPPC) behoort of BRZO inrichtingen, tenzij de Minster het bevoegd gezag is. Voor alle overige gevallen, waarin B&W bevoegd gezag zijn, is de betrokkenheid van de provincie echter nog geen verleden tijd.
Op grond van art 6.7 van het Bor moet bij het starten of wijzigen van activiteiten in dergelijke inrichtingen een verklaring van geen bedenkingen (VVGB) van GS worden gevraagd. Naast een verklaring van geen bedenkingen bij afwijking van het bestemmingsplan kan er dus sprake zijn van een tweede verklaring van geen bedenkingen, ditmaal in het milieuspoor. Deze verklaring van geen bedenkingen is slechts nodig tot het moment waarop de Regionale Uitvoeringsdiensten formeel zijn ingevoerd. Op dat moment zal het Bor worden aangepast en geldt daadwerkelijk dat slechts één bestuursorgaan bevoegd is tot het verlenen van een omgevingsvergunning.







