U bent hier: Home » Jurisprudentie » Omgevingsvergunning voor milieuactiviteiten » ABRvS 9 maart 2011 no. 201006983/1/M2 (Revisievergunning veehouderij Holthees)
banner-big-1.png

ABRvS 9 maart 2011 no. 201006983/1/M2 (Revisievergunning veehouderij Holthees)

ABRvS 9 maart 2011 no. 201006983/1/M2 (Revisievergunning veehouderij Holthees)
Aan de orde is een beroepszaak tegen een revisievergunning voor een paarden- en fokzeugenhouderij in Holthees (gemeente Boxmeer). Aan de orde komt de vraag of appellanten (in casu de Milieuvereniging Land van Cuijck) ontvankelijk is in haar beroep. Het college van B&W van Boxmeer meent dat de vereniging niet ontvankelijk is. In het beroepschrift van de vereniging wordt namelijk ingegaan op onderdelen die niet in haar zienswijze waren opgenomen. Bovendien voert de vereniging beroepsgronden aan die niet de revisievergunning zelf betreffen maar de achterliggende geurverordening. Ook gaat de vereniging volgens B&W in het beroepsschrift niet in op de weerlegging van de zienswijzen.
Tot nu toe hanteerde de Afdeling de zogenaamde ‘onderdelenfuik’ die zij afleidde uit artikel 6:13 Awb. Bij besluiten inzake milieuvergunningen beschouwde de Afdeling de beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen als afzonderlijke onderdelen van milieuvergunning. De Afdeling verlaat in deze uitspraak de leer van de ‘onderdelenfuik’ expliciet en – hoewel het hier gaat om een vergunning krachtens de Wet milieubeheer (oud) – verklaart de Afdeling daarbij dat de nieuwe overwegingen expliciet ook gelden voor omgevingsvergunningen krachtens de Wabo.
In de visie van de Afdeling werden de gevolgen voor het woon- en leefklimaat bij een vrijstelling van het bestemmingsplan ten behoeve van het verlenen van een bouwvergunning onder het oude recht op basis van artikel 6:13 van de Awb niet als afzonderlijke besluitonderdelen opgevat. Noch de wettekst, noch de parlementaire geschiedenis van de Wabo geeft de Afdeling aanleiding om die lijn te wijzigen. De Afdeling acht dat hetzelfde moet gelden voor het beroep tegen een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met c, van de Wabo.

Omdat de omgevingsvergunning voor een inrichting (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e Wabo) eenzelfde soort toestemming is als een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c Wabo), ligt het voor de hand om ter zake van deze vergunningen eenzelfde lijn te hanteren. Voor de toepassing van artikel 6:13 van de Awb worden de afzonderlijke beslissingen over de gevolgen voor het milieu dus niet langer als besluitonderdelen aangemerkt. Om deze reden acht de Afdeling de milieuvereniging volledig ontvankelijk in haar beroep.

In het belang van de rechtszekerheid geeft de ABRvS aan dat deze wijziging in de rechtspraak alleen dan van toepassing wordt op besluiten die vanaf per 1 april a.s. worden bekend gemaakt.

Het gevolg van deze uitspraak is dat de wijze van rechtsbescherming tegen een omgevingsvergunning voor een inrichting hiermee gelijk wordt getrokken met die van omgevingsvergunningen voor het afwijken van een bestemmingsplan waarmee de mogelijkheden voor het indienen van beroepschriften tegen milieuvergunningen sterk worden verruimd.

Bekijk hier de pdf:

© 2011 Wabobank | Sitemap
Ontwikkeld door Friks Web & Marketing